Carel ter linde over troost en presentie

In Adieu God? gaat Tijs van den Brink in gesprek met bekende Nederlanders, die ondanks hun christelijke achtergrond de kerk vaarwel hebben gezegd. Verlieten ze daarmee ook God en hun geloof?

Ter Linde heeft het idee van een persoonlijke god verlaten. ‘God kent zichzelf niet, zoals ook de liefde zichzelf niet kent. Het is de mens die het moet doen’.

Alles wat van betekenis is voor een mens komt van een medemens. Deze verschuiving is daarom zo belangrijk dat we nog meer dan voorheen niet mogen wegkijken, wanneer een ander in nood is. Niet God beschikt, wij zijn het die vorm en betekenis geven aan het leven.


Carel ter Linden heeft een vrijzinnige opvatting over het geloof. In een interview in Trouw in 1997 zei hij, dat hij hoopte God te zien. Later, tussen 2004 en 2008 begon Ter Linden daar anders over te denken; dat god beeldend spreekt in een geestelijke werkelijkheid. Zo heeft hij twijfels geuit over het leven na de dood en noemde hij het opstandingsverhaal van Jezus een legende. Later nuanceerde hij deze laatste opmerking. Volgens Ter Linden is Jezus’ opstanding geen lichamelijke gebeurtenis, maar moet deze “op een geestelijke wijze” worden begrepen. In juni 2013 verscheen zijn boek Wat doe ik hier in godsnaam? waarin Ter Linden aangeeft niet meer in een persoonlijk “bovennatuurlijk opperwezen” en een leven na de dood te geloven.[1] Een van de grootste obstakels daarvoor is volgens hem de wreedheid van de natuur. In oktober 2013 sprak hij over zijn opvatting in het televisieprogramma Adieu God?. Ook in het programma De Verwondering (NCRV) gaf hij nadere toelichting over zijn religieuze opvattingen. Volgens ter Linden zijn de bijbelverhalen vooral te zien als levensverhalen, als metaforische vertellingen (beeldspraak) en Jezus wordt niet gezien als de biologische zoon van God. Over god spreekt hij als geest die ons inspireert tot het doen van liefde, trouw en rechtvaardigheid: ‘God kent zichzelf niet, zoals ook de liefde zichzelf niet kent. Het is de mens die het moet doen’.

Ook over een leven na dit leven is hij duidelijk: dat is er niet.