ggz, presentie, existentiële angst (column met audio)

Voorwoord

Mensen hebben de reflex om bij een ongemak meteen iets te doen, terwijl het vaak beter is om iets te laten. Sterker nog, veel ongemakken komen juist voort uit te veel doen, te handelen, te veel dit of dat. In de hulpverlening is dat niet anders. In gesprek met zorgprofessionals over cliënten, die hun algemene dagelijks levensverrichtingen niet op “orde” hadden (let op het woord “orde”), bleek hoe sterk die neiging was. Vooral bij jongere begeleiders was de daadkracht groot. Je kon de blinde vlek als het ware zien. Ze wilde niets liever dan hun eigen norm van orde, organisatie en controle, opleggen aan hun cliënten. De ervaringsdeskundigen zaten op een heel ander pad, maar vergaten soms het belang een professionele bijdrage.

Het laveren, het mee- en soms ook tegen-bewegen vraagt rust en ruimte, vraagt meer presentie dan actiegerichtheid. Ik denk dat die drang vooral wordt gedreven door onze eigen existentiële angsten, die ons tot snel leven aanzet. Kunnen we niet aanzien waar we zelf bang voor zijn? Hebben we ruimmmmte… voor trage vragen?

Levenseinde, het verhaal van Anton. “Ik vind nergens rust om gewoon te zijn, even niets te hoeven, alleen maar te zijn. Door de sociale dienst voel ik me constant tegengewerkt. Die lui denken dat regels en controle heilig zijn. Als ik bij de GGZ hulpverlening aanklop word ik direct in de mallemolen van de behandel-protocollen gestopt.  Vragenlijsten, intake, een heel gedoe. Vóór er wat gebeurt heb ik met drie mensen gesproken.  Het gaat nergens over, echt een luisterend oor vind ik nergens…”

Ik kende Anton – zoals we hem maar even noemen – al langer. Een zachte verzorgde man, tegen de 40, vader van twee kinderen die hij niet meer zag. Zijn ex – inmiddels zwaar in de Heer – hield hem op afstand van zijn kinderen.

Anton was een tijd dakloos en zwierf van het ene naar het andere logeeradres. Hij was niet wat je soms ziet een diehard van de straat. Hij kwam regelmatig zijn verhaal doen. Ik kon en mocht niet veel voor hem doen, behalve luisteren. Hij vertelde me dat hij overal tussenin hing. Hij voelde zich geen psychiatrisch patiënt, dus in de instellingen had hij niets te zoeken. Sterker nog, hij gruwelde bij de gedachte weer van alles te moeten. In de pas lopen zoals anderen dat willen. Hij had al vaker contact gehad met de GGZ:  “ze zijn alleen met zichzelf bezig, met hun rapportage, met behandelprotocollen, hun eigen angst en wanorde”

“Buiten zo’n instelling is er verder niks, nergens een plek waar je alleen maar kunt zijn” herhaalde hij weer. We dronken koffie, hij deed zijn verhaal en vertrok, zo ging het, eens in de 14 dagen. Hij sprak steeds vaker over zijn doodswens, totdat hij een leuke klus had gevonden. Met als tegenprestatie kost en inwoning ging hij aan de slag. Het leek precies wat hij wilde: hij werkte, at en sliep. Ik hoorde weinig van hem tot hij op een dag weer verscheen. Er waren toch wat problemen gerezen en opnieuw voelde hij zich onder druk gezet, er moest weer van alles.

Er werd een nieuwe poging gedaan om hem te helpen, nu het spande erom. Er werd gezocht naar een mogelijkheid om hem te ondersteunen op een manier die voor hem goed was. Maar voor het zover was kreeg ik een telefoontje. Het was over. Toen hij op z’n kamer werd gevonden brandde het licht en stond z’n laptop nog aan.


Binnen de politiek is levensbeëindiging erg actueel. De voorstander benoemt nog eens de zorgvuldigheid en betrokkenheid van medici die een doodswens diepgaand onderzoeken. De tegenstander neemt er grote afstand van en houdt vol dat we ‘om de mens heen’ moeten gaan staan.

Ik ben benieuwd wat er gebeurt als iemand met een doodswens tegen een arts of psychiater zegt: ik vind nergens rust om gewoon te zijn, niets te hoeven, alleen maar te zijn.” Wat heeft de GGZ, wat hebben we, in huis om zo iemand te helpen?

Een hulpverlener.


Luister ook naar de noodkreet van Bram Bakker, over hoe de GGZ wordt gegijzeld door de zorgverzekeraars.

Nieuwsshow 4 maart 2017